Op tournee 1 – Pirimapoen

Het is al laat in de middag als wij, mijn vader, mijn oudste zus en ik vertrekken met het ms Kolff. ’s Middags is onze bagage aan boord gebracht, vooral proviand voor de tournee zoals koffie, ingeblikt roggebrood, ingeblikte kaas en melk, ander houdbaar beleg en rijst. Ook plakken zwarte tabak die gebruikt wordt als betaalmiddel voor diensten en goederen.

De dagen voor het vertrek zijn onwerkelijk, thuis is er een gespannen sfeer, er wordt weinig gepraat en van de vreugde van de hereniging is weinig te merken.
De draad wordt opgepakt waar die is gevallen, geen woorden over de belevingen en gevoelens over de afgelopen anderhalf jaar. Het is alsof er geen tijd tussen gezeten heeft.

Voor mij is het op tournee gaan een spannende vakantie.
Het schip is een klein kustvaartuig, een voordek waarop wat mensen kunnen bivakkeren, Het achterdek heeft wel wat van een sleepboot weg. Er is een kajuit waar een zestal mensen kunnen slapen.

Als we vertrekken valt de avond in en al snel is het donker. De boot vaart de rivier af naar zee. We zitten op het achterdek boven de machinekamer, er is niets te zien, geen lichtjes langs de oevers, er wonen geen mensen in dat gebied.

Dan komen we buitengaats, het scheepje begint te stampen en te rollen. Het weer is rustig geen sterke wind en volgens iedereen die hier vaker gevaren heeft is het lekker rustig.
Maar niet voor mij, ik word binnen de kortste tijd zeeziek. Mijn vader geeft me het advies mijn blik op de horizon te houden, maar het is pikdonker en geen horizon te zien. De lucht uit de machinekamer maakt me nog misselijker.

Later heb ik begrepen waarom het scheepje zo stampte en rolde. De zee, de Arafurazee, tussen Nieuw Guinea en Australië is een gedeelte van het continentaal plat. De deining van de Indische Oceaan komt in de ondiepe zee terecht en levert dan vrij korte en hoge golven op.
Net zoals de branding op een strand die ontstaat uit de golven van de zee.
Het gaat de hele nacht door. Ik kruip in een hoekje boven de machinekamer en tegen de stuurhut, af en toe doe ik een dutje. Maar ben vooral de hele tijd kotsmisselijk.
Als het licht wordt wordt de zee kalmer, we varen dichter bij de kust en de monding van de Digoel is vlakbij. Aan ontbijt wil ik nog niet denken.

De kleur van het water verandert, het wordt bruiner, modderiger, we zijn de monding van de Digoel opgevaren. De monding is wel twintig kilometer breed en de oevers zijn nauwelijks te zien. Volgens mijn vader en de bemanning kan je hier zeekrokodillen zien, sommige wel met een lengte van meer dan vier meter. Maar hoe ik ook tuur, met en zonder verrekijker ik zie niets.
Tegen een uur of vier komen we bij een gehucht op de westelijke oever van de Digoel.

Het gehucht heet Pirimapoen en er wonen alleen Papoea’s. Er is een kleine steiger waar de boot bij hoog water aan kan leggen.

We gaan van boord en gaan naar de kampong. De huizen op palen staan aan een zanderige kust. Als we over het strand naar de kampong lopen worden we gewaarschuwd voor krokodillen die op de vloedlijn kunnen liggen, heb er geen één gezien.

In de kampong zijn mannen en vrouwenhuizen die zijn gemaakt van hout en afgewerkt met palmbladeren.
Wij worden in één van de mannenhuizen uitgenodigd, ook mijn zus. We klimmen de ladder op en moeten bukken om binnen te komen. Het is binnen donker, er brandt middenin een vuurtje en het ruikt er naar rook en zweet.
Er wordt voluit gepraat maar ik versta er niets van. Het gesprek gaat in het Maleis en dat versta noch spreek ik.
De mensen waar wij te gast zijn zijn uit op handel.

Net zoals mijn zus en ik mee kunnen reizen is het ook mogelijk dat anderen, die er niet voor hun werk zijn, mee kunnen reizen. Er is en man, ouder dan mijn vader, een beetje dik, die er altijd plakkerige en bezweet uit ziet, die een groot gedeelte van de tocht meereist. Hij wil etnografica kopen.

Er is niet veel wat de interesse van de bezoekers opwekt, maar dan komen er koppen te voorschijn. Koppen die gesneld zijn. Donker bruin gekleurd, en met wat kwastjes versierd.
De Papoea die ze aanbiedt wrijft met zijn hand het zweet van zijn voorhoofd en poetst met die natte hand de schedel op zodat deze mooi gaat glimmen.
Het is ten strengste verboden gesnelde koppen te kopen, maar de medereiziger, uit op etnografica, toont erg veel interesse en onderhandelt over de prijs.
Er wordt niets gekocht.
Het is al donker als we naar het schip teruggaan, waarbij we weer goed opletten of er geen krokodillen zijn.

De etnografica jager gaat toch weer terug naar de kampong en komt een halfuur later weer terug. Hij heeft iets gekocht maar wil niet zeggen wat.


Er zijn geen foto’s van dit gedeelte van de tournee. De foto’s zijn op andere plaatsen genomen.
De boot die te zien is op de eerste foto is wel de boot waarmee we een gedeelte van de reis hebben gemaakt.